Te weinig tijd?

Onlangs ging ik bij een goede vriend op bezoek. Hij is ondernemer, een bolleboos in zijn vak, sociaal zeer vaardig en ook nog eens erg behulpzaam. We hadden elkaar al een tijdje niet gesproken en hoewel hij er goed uitzag, kwam hij een beetje gejaagd over. “Hoe is het met je?”, vroeg ik hem, toen we ons eenmaal met koffie en thee in zijn kantoor hadden genesteld. “Erg goed, ik ben een gelukkig man”, zei hij, net iets te geestdriftig. “We hebben net ons systeem opgeleverd en klanten zijn superenthousiast. Dat jaar keihard werken werpt dus z’n vruchten af!”

Ik feliciteerde hem en vroeg toen: “En waar ben je nu mee bezig?” Hij schudde zijn hoofd en spreidde zijn armen in onbegrip. “Met de afwikkeling van de implementatie, natuurlijk! Of dacht je dat zoiets vanzelf gaat? Iedereen wil natuurlijk weten wat het nieuwe systeem kan en hoe ze het optimaal kunnen inzetten. Dus bellen er elke dag wel een vier, vijf klanten die me willen spreken.” Ik fronste. “Dus je zit bijna de hele dag aan de telefoon? En je probeert me nu wijs te maken dat je daar gelukkig van wordt? Ik geloof er geen woord van.”

Als bij toverslag verdween de glimlach van zijn gezicht. Er kwam een diepe rimpel in zijn voorhoofd en zijn schouders zakten tien centimeter naar beneden. “Je hebt gelijk Thijs”, zuchtte hij. “Ik wil dit niet, dag in, dag uit. Op deze manier ben ik pas klaar als de nieuwe release van het systeem uitkomt en begint het hele circus opnieuw. Ik borrel over van de ideeën voor nieuwe business, maar heb geen tijd om ze uit te werken, omdat ik vastzit in dit proces dat niemand van me kan overnemen.”

Valkuil
Mijn vriend was in een klassieke valkuil gevallen: hij had zichzelf onmisbaar gemaakt in zijn organisatie. Of althans, dat dacht hij. Ik moest aan mijn zoontje van acht denken. Toen hij vier was, ging hij op voetbal. Het was direct duidelijk dat hij een goed balgevoel had. Maar zoals dat gaat bij kinderen, wilde hij een jaar later op hockey. Om na drie keer trainen tot de conclusie te komen dat hij er niets aan vond…. Enfin, een jaar later voetbalde hij weer en nog beter dan tevoren. Hij speelde in de zondagmiddagcompetitie en zijn team won wedstrijd naar wedstrijd met grote cijfers. Ik was natuurlijk enorm trots. Maar naarmate het seizoen vorderde, werd hij steeds vermoeider en toen de zomerstop eraan kwam, was hij uitgeput en voelde zich ronduit rot. Wat was er aan de hand?

Samenwerken
Ik probeerde me de wedstrijden van het afgelopen jaar voor de geest te halen. En plotseling zag ik wat er gebeurd was. Mijn zoontje, die als spits speelt, was gedurende de wedstrijd over heel het veld te vinden. Dan weer als vleugelspeler, als centrale verdediger, als spelverdeler… Op één middag maakte hij meer kilometers dan ik in een week! Met andere woorden: hij wilde alles zelf doen. Het jaar erop ging het beter. Opeens stond het elftal er als een team en speelden ze positiespel. Want dat is waar het altijd en overal om draait: samenwerken. Of het nu om sport gaat of om professie. Het effect op de prestaties van het elftal was verbluffend. Alles liep beter, het hoge doelsaldo was er nog steeds terwijl het aantal tegengoals fors afnam. Maar wat het mooiste is: mijn zoontje was ontspannen en absoluut niet meer uitgeput.

Niemand is onmisbaar
Om bij de voetbalmetafoor te blijven: de beste strategie die een sterspeler kan hebben, is om zichzelf zo te ontwikkelen dat hij aanvoerder kan worden van zijn team. Nadat hij zijn kicksen in de wilgen heeft gehangen, kan hij dan doorgroeien naar de rol van assistent-trainer of coach. Doet hij dat niet, dan is de kans groot dat zijn voetbalcarrière stopt op de dag dat hij zijn laatste wedstrijd speelt. Met de ontwikkeling van professionals in het bedrijfsleven zou het niet anders moeten zijn. Als je jong – en briljant – bent, mag je in de schijnwerpers staan. Maar als je daar tien, twintig jaar later nog steeds staat, heb je onderweg een belangrijke afslag gemist. Of erger: je bent misschien nog steeds één van de beste in je vak, maar je hebt jezelf blijkbaar niet doorontwikkeld. En zo realiseer je nooit echte groei…

Durf tonen
Toch begrijp ik het wel. Je moet veel durf tonen om datgene wat je goed kunt aan anderen over te laten. De kans bestaat immers dat zij het niet zo goed doen als jij en de klant daar commentaar op heeft. Maar wat wij – al dan niet onbewust – nog veel enger vinden, is het idee dat die collega het misschien wel beter doet dan wijzelf. Want als dat zo is, wat is dan onze toegevoegde waarde nog? Toch is dit de enige weg om te gaan. Als voorbeeld noem ik Eckart Wintzen, de man die in 1973 de voorloper van BSO oprichtte en het bedrijf in 1976 zelf geheel in handen kreeg. Telkens als BSO een bepaalde groei realiseerde, splitste hij de organisatie op in nieuwe, zelfstandige eenheden. Toen hij twintig jaar later afscheid nam, was BSO actief in twintig landen en werkten er zo’n 10.000 mensen…

Alle tijd voor nieuwe uitdagingen
Hoe het met mijn vriend is afgelopen? Goed. Hij heeft een coach in de arm genomen, die hem leert hoe hij moet delegeren. Hoe hij zijn organisatie op termijn met zelfsturende teams kan inrichten. Hoe hij het beste in zijn medewerkers naar boven haalt. Maar vooral: hoe hij zichzelf overbodig kan maken, zodat hij alle tijd krijgt voor nieuwe uitdagingen op zijn pad!